Wij zetten ons in voor het algemeen belang

Contact

Lijst Babijn
Bakkersstraat 59
4501 RB Oostburg
Tel. : 0117 452945
E-mail : info@lijstbabijn.nl

  Interact Network 2017

'Waterdunen' (31-08-2011). Art. 44 vragen aan Gedeputeerde Staten van Zeeland, namens de Partij voor Zeeland Statenfractie, aangaande 'Waterdunen'.

Aan           : het College van Gedeputeerde Staten.

Onderwerp: schriftelijke vragen conform Art. 44 van het Reglement van Orde van het Statenlid François Babijn, Partij voor Zeeland (PvZ), m.b.t. het project ‘Waterdunen’.

Oostburg, d.d. 31-08-2011,

 

 

Geacht College,

 

Bij de beantwoording van de vragen ingevolge art. 44 van het Reglement van Orde inzake Waterdunen (ingekomen 13-07-2011) stelt uw College bij de beantwoording van vraag vier o.a. het volgende: “Dit betekent niet, dat geen plaats meer zou mogen zijn voor kritische vragen of kanttekeningen” en “Op vragen van Statenleden en burgers (zoals de Vrienden van WaterdunenNee) is en wordt steeds zorgvuldig gereageerd”.

Mogen wij er dan ook nu op rekenen dat uw College de onderstaande vragen zorgvuldig zal beantwoorden?

 

Hierna volgen vragen conform Art. 44 van het Reglement van Orde inzake project ‘Waterdunen’.

 

Vragen.

1 (a). Uw College verwijst ter onderbouwing van het collegestandpunt bij vraag twee uit de hier voor bedoelde artikel 44 vragen (aanhangsel nummer 053) naar paragraaf drie van de zakelijke beschrijving, behorende bij het onteigeningsvoorstel ‘Waterdunen’.

Deelt uw College onze mening dat informatie die een provinciaal projectleider per e-mail aan Statenleden verstrekt of via interviews met de pers naar buiten brengt mede bijdraagt aan de beeldvorming en dus ook aan de besluitvorming rondom een Statenvoorstel?

1 (b). Deelt u onze mening niet, kunt u dan motiveren waarom u onze mening niet deelt?

 

2 (a). Deelt uw College onze mening dat een projectleider alleen correcte informatie naar buiten mag brengen die gebaseerd is op de aantoonbare vastliggende feiten van dat moment?

2 (b). Deelt u onze mening niet, kunt u dan motiveren waarom u onze mening niet deelt?

 

3 (a). Deelt uw College onze mening dat het een aantoonbaar feit is (e-mails en t.v. opnames) dat de projectleider ‘Waterdunen’ medio december per e-mail kenbaar heeft gemaakt dat er voor 40 hectare principeovereenkomsten bestonden en dat zij in een t.v. interview op Omroep Zeeland destijds heeft gezegd dat er met de helft van de grondeigenaren (dit zouden er dus 6 moeten zijn) constructief overleg plaatsvond wat zou leiden tot principe overeenkomsten, waarvoor nog een paar zaken moesten worden afgesproken, maar waar wel vooruitgang in zat?

3 (b). Omdat het hier verifieerbare uitlatingen betreft kunt u de vraag enkel met “ja” beantwoorden; mocht u echter deze vraag toch met nee beantwoorden, kunt u dan motiveren waarom u onze mening niet deelt?

 

4 (a). De juiste en aantoonbare feiten op dat moment (de persoonlijke onderhandelingsdossiers) hebben ter inzage gelegen ten tijde van het ontwerp onteigeningsbesluit in mei 2011. Deelt uw College onze mening dat de inhoud van hetgeen de projectleider in december 2010 naar buiten heeft gebracht via e-mail en Omroep Zeeland, niet strookt met de stand van zaken zoals die medio december 2010 is weergegeven in de persoonlijke onderhandelingsdossiers?

4 (b). Deelt u onze mening niet, kunt u dan aantonen aan de hand van de onderhandelingsdossiers waarom u onze mening niet deelt?

 

5 (a). Deelt uw College onze mening, dat de antwoorden die een Gedeputeerde geeft op vragen van Statenleden tijdens een Statenvergadering, betrokken moeten kunnen worden bij de besluitvorming van Provinciale Staten?

5 (b). Deelt u onze mening niet, kunt u dan motiveren waarom u onze mening niet deelt?

 

6 (a). Deelt uw College onze mening dat een Gedeputeerde alleen die informatie naar buiten mag brengen die correct is en die gebaseerd is op de aantoonbare vastliggende feiten van dat moment?

6 (b). Deelt u onze mening niet, kunt u dan motiveren waarom u onze mening niet deelt?

 

7 (a). Deelt uw College onze mening dat het via de opname van de Statenvergadering een aantoonbaar feit is dat de Gedeputeerde tijdens de Statenvergadering van 17 december 2010 vragen aangaande ‘Waterdunen’ heeft beantwoord en daarbij heeft gezegd dat er principeovereenkomsten voor 40 hectare bestaan waarvan er al een akte bij de notaris ligt, dat er met 7, binnenkort 8 eigenaren onderhandeld wordt waarbij maatwerk wordt gezocht en gevonden en dat slechts 30 tot 40 hectare niet onderhandelbaar is?

7 (b). Omdat het hier verifieerbare uitlatingen betreft kunt u deze vraag enkel met “ja” beantwoorden, mocht u echter deze vraag toch met nee beantwoorden, kunt u dan motiveren waarom u onze mening niet deelt?

 

8 (a). De juiste en aantoonbare feiten op dat moment (de persoonlijke onderhandelingsdossiers) hebben ter inzage gelegen ten tijde van het ontwerp-onteigeningsbesluit in mei 2011. Deelt uw College onze mening dat de inhoud van hetgeen de Gedeputeerde in de Statenvergadering van 17 december 2010 heeft gesteld, niet kan worden afgeleid uit de stand van zaken zoals die half december 2010 is weergegeven in de persoonlijke onderhandelingsdossiers?

8 (b). Deelt u onze mening niet, kunt u dan aantonen aan de hand van de onderhandelingsdossiers waarom u onze mening niet deelt?

 

9. Is uw College, na beantwoording van de hiervoor gestelde vragen, nog steeds van mening dat er met betrekking tot de stand van zaken rondom de grondverwerving voor ‘Waterdunen’ alleen maar correcte en feitelijk juiste informatie is verstrekt, gebaseerd op de vastliggende aantoonbare feiten op dat moment?

 

10. Kan uw College aangeven waarom er uit de ter inzage gelegde onderhandelingsdossiers niet blijkt dat er half december “met 7, binnenkort 8 grondeigenaren constructief werd onderhandeld waarbij maatwerk werd gezocht en gevonden” en waaruit ook niet blijkt dat er toen voor 40 hectare principeovereenkomsten zouden bestaan danwel dat er toen met 6 eigenaren principeovereenkomsten bestonden waarvoor nog een paar zaken moesten worden afgesproken, maar waar wel vooruitgang in zat?

 

11 (a).

·        Op 1 februari 2011 informeert uw College PS opnieuw over de stand van zaken met betrekking tot de grondverwerving waarbij er sprake is van overeenstemming met één grondeigenaar en principeovereenkomsten met twee grondeigenaren, totaal betrokken oppervlakte ongeveer 40 hectare.

·        In de PZC van 15 april 2011 brengt de projectleider naar buiten dat er met vier grondeigenaren een principeovereenkomst is gesloten waarbij ruim 63 hectare is betrokken.

·        In de commissievergadering REW van 10 juni 2011 wordt er door de portefeuillehouder verklaard dat er voor 64 hectare principeovereenkomsten gereed liggen ter ondertekening.

·        Op 8 juli 2011 geeft de gedeputeerde in de Statenvergadering de actuele stand van zaken met betrekking tot de grondverwerving en benoemt dan: “ruim 1 hectare” en spreekt dus niet meer over de voor 64 hectare, voor ondertekening gereedliggende, principeovereenkomsten.

Mogen wij er van uitgaan dat deze “ruim 1 hectare” de enige correcte en op vastliggende aantoonbare feiten gebaseerde informatie is?

11 (b). Zo nee, kunt u dan aangeven waarom wij hier niet van mogen uitgaan?

 

12 (a). Deelt u onze mening dat alle eerder verstrekte informatie over de stand van zaken met betrekking tot de grondverwerving niet volledig voldeed aan het criterium “correct en op vastliggende aantoonbare feiten gebaseerd”?

12 (b). Deelt u onze mening niet, kunt u dan motiveren waarom u onze mening niet deelt?

 

13 (a). Welke conclusies verbindt uw College aan de beantwoording van de vragen 1 tot en met 12?

13 (b). Mocht u hieraan geen conclusies verbinden, kunt u dan aangegeven waarom u hieraan geen conclusies verbindt?

 

14. Is uw College op de hoogte van het feit dat er op 4 oktober 2011 een zitting van de Raad van State wordt gehouden over ‘Waterdunen’, waarbij de bezwaren tegen het inpassingsplan en het grondexploitatieplan worden behandeld?

 

15. Is uw College op de hoogte van het feit dat het vervolgens dan nog slechts enige weken zal duren voordat de Raad van State in deze zaak uitspraak zal doen?

 

16 (a). Kan uw College aangeven welke dringende redenen er aanwezig zijn om eind september, dus slechts een paar weken voor de uitspraak van de Raad van State, al een informatiecentrum over ‘Waterdunen’ in de kerk van Groede te openen?

16 (b). Indien u dit niet kunt aangeven, kunt u dan motiveren waarom u dit niet kunt aangeven?

 

17 (a). Kan uw College aangeven waarom niet is overwogen om, getuigende van enig respect voor direct betrokkenen en de Raad van State, met de inrichting en opening van dit informatiecentrum te wachten tot na de uitspraak van de Raad van State?

17 (b). Indien uw College dit niet kan aangeven, kunt u dan motiveren waarom u dit niet kunt aangeven?

 

18 (a). Kunt u aangeven hoeveel gemeenschapsgeld is gemoeid met de inrichting van het informatiecentrum ‘Waterdunen’ in de kerk in Groede?

18 (b).  Indien u dit niet kunt aangeven, kunt u dan motiveren waarom u dit niet kunt aangeven?

 

19 (a). Kunt u aangegeven hoeveel gemeenschapsgeld er gemoeid is met de huur van de ruimte in de kerk van Groede?

19 (b). Indien u dit niet kunt aangeven, kunt u dan motiveren waarom u dit niet kunt aangeven?

 

20 (a). Kan uw College met reden omkleed verklaren waarom ondergetekende (namens de Satenfractie van de Partij voor Zeeland) tijdens de Statenvergadering van 8 juli jl., tegen alle democratische regels in, niet in de gelegenheid werd gesteld om een motie van treurnis aangaande de informatievoorziening m.b.t. het project ‘Waterdunen’ voor te lezen laat staan nader toe te lichten?

20 (b). Kan uw College, nadat u deze nieuwe vragen tot u genomen heeft, inmiddels enig begrip opbrengen voor het feit dat onze Statenfractie op 8 juli jl. een ‘gele kaart’ aan uw College heeft uitgedeeld in de vorm van een motie van treurnis aangaande de informatievoorziening m.b.t. het project ‘Waterdunen’?

 

In afwachting van uw beantwoording, verblijven wij,

 

 

Hoogachtend,

 

Statenfractie Partij voor Zeeland (PvZ), François Babijn, Statenlid.